Verwelkingsziekte bij aardappelen wordt vooral veroorzaakt door de schimmel Verticillium dahliae en soms door Verticillium alboatrum.

De ziekte wordt gekenmhalfzijdige verwelking door Verticillium Dahliaeerkt door een vervroegd afsterven van het gewas. De schade wordt bevorderd door stressfactoren zoals hitte, droogte, waterovermaat en een te gering aanbod van stikstof. Aaltjes, zoals aardappelcysteaaltje, wortelknobbelaaltje en wortellesieaaltje bevorderen de infectie met Verticillium dahliae.

 

De meest kenmerkende symptomen voor deze ziekte zijn de eenzijdige bladverkleuring tijdens het afsterven van de bladeren en de loodgrijze kleur van de afgestorven stengels.
De schimmel heeft een uitgebreide waardplantenreeks en kan in de vorm van microsclerotiën ten minste zes jaar in de grond overblijven. De vorming van microsclerotiën vindt niet plaats zolang het gewas nog groen is. De ziekte kan ook met het pootgoed worden verspreid.

 
afb.: halfzijdige verwelking door Verticillium Dahliae.

De gecombineerde besmetting met Pratylenchus Penetrans (wortellesieaaltje) zorgt voor een versterkt ziektebeeld.

Voorkomen/bestrijden
Er is tegen deze ziekte geen directe bestrijdingsmethode voorhanden. Wel zijn er verschillen in tolerantie tussen rassen. Onder andere het ras Bintje is gevoelig voor schade. Op besmette grond kan schade worden beperkt door een evenwichtige bemesting en voldoende vocht gedurende het gehele groeiseizoen. Bepaalde voorvruchten, zoals veldbonen, droge erwten, lucerne en blauwmaanzaad, zijn een goede waardplant. Ze zorgen voor meer infectiemateriaal in de grond dan andere. Daarom dienen dergelijke gewassen als directe voorvrucht te worden vermeden. Ook op de bovengrondse delen van monocotyle gewassen zoals gerst en tarwe worden microsclerotiën gevormd. De aantallen zijn echter veel geringer en deze gewassen zijn daarom gunstiger als voorvrucht.

Loofvernietiging door looftrekken leidt tot de vorming van veel minder microsclerotiën op de stengels dan loofdoding met een chemisch middel en beperkt daardoor effectief de opbouw van de populatie. Ook het verwijderen van het veld van de bovengrondse oogstresten van aardappelen, veldbonen, vlas en dergelijke leidt tot een lagere inoculumdichtheid in de grond in de daaropvolgende jaren.