De Oeraardappel

De aardappel (Solanum tuberosum) komt oorspronkelijk uit het Andesgebied in Zuid-Amerika. Daar verbouwden de Inca's, een indianenvolk in Peru en Bolivia, dit knolgewas al sinds de tweede eeuw van onze jaartelling. In de Andes komen 4000 verschillende varianten van de wilde aardappel voor. Ze zijn klein en smaken bitter. Door de indianen worden deze aardappelen echter als voedsel gewaardeerd omdat ze veel zetmeel bevatten en tot op de sneeuwgrens, ongeveer 4000 meter hoog, zijn te verbouwen.

In Incataal heet de aardappel 'papa'. Het woord 'patat' dat wij gebruiken voor gefrituurde aardappelen is afgeleid van het Spaanse woord 'patata', wat weer een verbastering is van het Haïtiaanse woord 'batata'. Haïtianen duiden daarmee niet de gewone aardappel aan, maar de zoete aardappel Ipomoea batatus, die tot een andere familie van de knolgewassen behoort.

De Inca's aten de aardappel van oudsher gekookt, gebakken, gedroogd en gestampt. Van aardappelmeel bakten ze brood en taart. Al vroeg ontwikkelden de Inca's zelfs een vriesdroogmethode. Aardappels werden een nacht in de koude lucht gelegd, daarna trapte men het vocht eruit en uiteindelijk begroef men ze in de sneeuw. Zo blijven ze lang goed, om in moeilijke tijden tot voedsel te dienen. De aardappel speelde ook een rol in de Inca-religie: in grafkelders zijn prehistorische potten gevonden in de vorm van aardappelknollen, met ogen en al.